"Een ijsschots brak af en zette koers naar zijn langzame, warme ondergang."

[kortverhaal]

Televisie kijken


De ondergaande zon greep het trillende kamerlicht en hield de kleuren stevig vast. Het spoor van de voorbijgegane dag verdween talmend door de ramen. Door het met schemering gevulde aquarium dat de kamer nu geworden was, waadde de man. Hij begaf zich routineus naar het televisietoestel, greep de afstandsbediening aan de rechterkant van het toestel en nam plaats in de lichtbruine lederen zetel. Onder begeleiding van een bezadigde mannenstem verscheen een natuurdocumentaire over de Noordpool, alsof God onwetende televisietoeristen door zijn schepping wou gidsen. De dag ging weg zoals hij dat altijd deed: weifelend, maar met een ongrijpbare vastberadenheid.

Het haastige avondmaal had de man een bonzende warmte bezorgd en de kleurengloed van de beeldenhaard maakte hem snel loom. De wereld buiten deze kamer stond nooit stil en werd vanuit het toestel de kamer binnengeloodst. Die aanwezigheid belichtte zijn ouderdom alsmaar feller. Hij zat wederom in de zekerheid van dit zitten. De tv gaf de wereld, maar kreeg de realiteit, praatte voluit, maar hoorde niets terug, bewoog voortdurend, maar zag enkel bedaardheid. Waarschijnlijk zou de man op het eind van de avond opnieuw half verdwaasd wakker schieten en zou hij met een hese, overslaande stem zijn bedwaarts gaan aankondigen. Daarom was dit begin van de avond eerder einde. Een ijsschots brak af en zette koers naar zijn langzame, warme ondergang.

 

‘Moet jij nog iets uit de koelkast?’

‘Nee, ik heb genoeg op van daarnet.’

 

Iedereen rondom hem leek meer en meer te willen eten. En koken. In ieder huis, op ieder feest, in de krant en op tv, nestelde het leven zich in dat voorspelbare midden en ruimden de woorden plaats voor het sluiten van de lippen. De weinige woorden die overbleven werden gebruikt om te vertellen over dat zwijgen. De man begreep niet waar deze collectieve eetverbijstering plots vandaan kwam, maar hij wist wel dat hij die schijnbare evidentie niet voelde. Etenslust verdwijnt wanneer men de hoogten van geluk of de laagten van depressiviteit verkent. Wanneer men geen nieuwe energie meer wil. Als praten over eten echter hoofdzaak wordt, legt men zich als obese terminalen neer bij de diagnose van algehele zinloosheid, al kauwend doodsrochels reutelend naar anderen in de hoop samen met hen het zoeken in dit leven op te geven. Eten moet middel zijn. Als het doel wordt, is al het streven voorbij.

De vrouw zette zich naast hem in de zetel, met in haar hand een bordje met een stuk chocoladecake. Ze droeg nog altijd de blauwe kamerjas die ze al de hele dag aanhad. Ze nam een schrokkerige hap van de droge cake. De man zag een kruimel uit haar mond naar beneden donderen, haar kauwkabaal zwol aan, de herhalende bewegingen van haar kaken hakten op zijn linkeroor in, de vochtige binnensmondse stroom overspoelde zijn oorkanaal, sijpelde zijn hersenen binnen, doorweekte al zijn gedachten die nu schreeuwden om het lawaai te overstemmen, maar hij kon enkel een gesmoorde kreet in de geluidsdichte kamer van zijn hoofd uitbrengen. Het vullende geluid naast hem onttrok zich slechts met vertraging uit de kamer, nadat de vrouw al opgehouden was met eten.

Altijd weer opnieuw wenste hij dat ze niets zou doen dat zijn aandacht zou vergen. Hij haatte het luisteren en het kijken naar haar, hij verafschuwde dat hij gehoord en gezien moest worden door haar. Maar hij voelde aan dat hij toch opgeëist zou worden. De kamer droeg immers, ondanks het geluid van de tv dat hen tegemoet kwam, een vragende stilte. In tegenstelling tot een stilte die geruststelt en sust met het zaligmakende niets, dwingt deze soort stilte doorbroken te worden met de afstompende viering van de nietszeggendheid. Telkens wanneer hij een uitnodiging voor dit feest ontving, huiverde hij omdat hij wist dat hij verplicht was te gaan.

 

‘Wist je dat de haren van de ijsbeer niet wit, maar doorzichtig zijn?’

 

Zonder hem aan te kijken stopte ze de overgebleven kruimels met haar genatte magneetvinger in haar mond. Als iemand zijn kennis onderschatte, wist hij nooit of hij beledigd moest zijn of net blij dat hij die persoon van het tegendeel kon bewijzen. Als het echter van een vrouw komt waarmee hij al zesenveertig jaar het vermijden van de eenzaamheid deelt, dringt een keuze zich niet op. Hij zag haar vragende zin als een stompe steen gegooid worden over de diepe kloof die twee mensen altijd scheidt, hoogte verliezen en de rotsige overkant raken. Kleine brokstukken kwamen los en de kloof werd wederom uitgediept. Zijn voorheen gekoesterd geloof dat woorden wel de ander konden bereiken werd eens te meer bevestigd als een ijdelheid. In zijn geest, door ouderdom troebeler geworden, tekende die langzame en onvermijdelijke erosie zich alsmaar scherper af. Woorden werpen werd een zinloze discipline. 

 

‘Uhu.’

 

Het antwoord bleef in zijn neus hangen, want de opzet om de klank uit zijn mond te laten komen was gestruikeld over zijn voorgaande gedachte. Ze viel naar beneden en vond met een doffe plof de grond. Klaar om overwoekerd te worden. Als het geluid van het leven versterft, hoort men enkel nog het verleden.

Als kind praatte hij voortdurend. Alle indrukken die hij van zijn omgeving ontving, wou hij delen met iedereen. Hoe het kon dat een vliegtuig kon opstijgen. Dat hij liever zand dan water op zijn huid voelde. Of men wel zeker wist dat een kat spinde omdat ze blij was. Dat alle liedjes altijd over de liefde gingen. Hoeveel sterren er bestonden. Waarom een mens ouder werd. Zijn ouders voorzagen hem van antwoorden, maar ze hadden zijn onophoudelijke gebabbel ook meer dan eens instemmend genegeerd. Hij sterkte zijn overtuiging dat dit als volwassene zou veranderen. Hij zou naar iedereen luisteren en iedereen naar hem.

Zijn linkerooghoek werd gevuld door de vrouw en hij had moeite de duffe aanwezigheid van haar afgewassen kamerjas te negeren. Op dit moment was ze voor hem een gapende diepte tijdens een bergwandeling. Sluimerend was ze er al de hele tijd geweest, maar het heldere daglicht en het ontmoeten van andere wandelaars hadden hem gerust gesteld en zijn vrees afgeleid. Nu viel de avond en werd het dal in een kleurennevel gehuld. Als je ouder dan zestig bent, houdt het onverwachte opduiken van passanten dat de tocht spannend maakt langzaamaan op. De afgrond werd moeilijker zichtbaar en hij probeerde zo ver mogelijk van haar weg te blijven voor de laatste kilometers, maar de zetelleuning hinderde hem. Hij moest verder, maar werd verlamd. De enige uitweg was om voor zich uit te staren en niet te denken aan wat was.

In de beeldbuis verschenen echter de transparante gedaantes van een man en een vrouw. Hij kon niet anders dan kijken. Twee figuren die hun dagen wegdeemsterend doorbrachten, omdat ze enkel krachteloos de vervagende kleuren van hun gevangenis kunnen gadeslaan. Ze tuurden met geleegde ogen terug naar de man. De conversatie met deze zwijgende weerspiegelingen kwelde hem omdat het gesprek dwingend was. IJswater overspoelde de drie conversanten en laaide de vooravond definitief weg.

 

‘Mijn kookprogramma begint. Geef eens de afstandsbediening.’

 

Met zijn linkerarm hief hij het kleinood van de zetelleuning en reikte hij haar het vervolg van de avond aan. De onzichtbare God die commentaar had gegeven werd vervangen door een valse profeet die op het televisietoneel verscheen. Met geslepen messen, kokend water, dansende dampen, brandende lucht, knetterende olie en bloedend vlees grijnslachte de profeet de man toe. Hij werd beschimpt omwille van zijn ketters geloof, weggehoond uit de gemeenschap van gelijkgestemden. Altijd had hij gezorgd dat zijn doen op dat van diegenen rondom hem leek, dat hij zich conform hun gewoontes en wensen gedroeg. De verschrikkelijke chaos van deze vervolging werd hem daarom plots te veel.

Hij wist dat hij zich opnieuw moest opsluiten, naar de plaats waar hij zo van hield, de kamer in zijn hoofd waarvan hij de wanden decoreerde met woorden om het geluid van de buitenwereld te dempen en waarvan hij de ramen afplakte om het licht buiten te houden. Hij bande de vrouw, de gedeelde zetel en de tv. Enkel hier hield de tijd op met bestaan en kon hij zelf leven. Enkel hier was het stil genoeg om te slapen en te dromen. Enkel hier konden gedachten de onomkeerbaarheid van de tijd opheffen. Enkel hier kon hij de gegeven wereld ordenen.  

Zelfvertrouwen is de voorwaarde voor iedereen om te kunnen overleven buiten het hoofd. Daar leven is zelfvertrouwen hebben. Daar zelfvertrouwen missen is sterven. Koken om het zoutloze leven te kruiden, een auto om van het eigen immobilisme weg te snellen, geld verdienen om afgunst af te kopen, reizen om onmogelijke keuzes te ontvluchten, kinderen om het eigen verdwijnen te verhinderen, alcohol om pijnprikkels te verdoven, anderen helpen om de eigen hulpeloosheid te overstijgen, anderen martelen om de eigen pijn te zalven.

 

‘Zelfvertrouwen zuigen om er zelf te hebben.’

 

Hoewel de zin er fluisterend stil uitkwam, schrok hij ervan dat deze gedachte klank geworden was. Had ze dit gehoord? Bang voor wat ze vragen zou, bedacht hij meteen hoe hij kon vermijden om zijn uitspraak te moeten duiden. De zin was wel aan haar gericht, maar enkel hier, niet daar. Met een trage kwartslag draaide hij zijn hoofd en keek hij haar veinzend onbenauwd aan. Haar volledig gesloten oogleden trilden lichtjes mee met de schokkerige bewegingen van haar ogen en met half geopende mond ademde ze door haar neus. Het programma bleek blijkbaar toch niet zo onmisbaar. Deze meevaller luchtte op omdat de muur tussen hier en daar waar hij immer over had gewaakt alvast rechtop bleef staan.

Hij voelde soms dat hij  onmachtig meedeinde op aan kracht winnende golven, zich verslikkend in de woorden die zij iedere dag uit haar mond liet stromen. Dan deed hij de sluizen van de buitenwereld toe om zelf de eigen koele woorden in zijn hoofd binnen te laten. Blussende gedachten over het schroeiende leven zodat hij er niet door verbrand zou worden. Hij handelde hier met durf zodat hij het daar niet moest doen. Hier bekwam hij zijn zelfvertrouwen door zich veilig op te sluiten. Enkel zo kon hij zijn verwachte leven daar bewaren. Maar kon dit dan nog zijn leven zijn als het daar leek op dat van alle anderen, als het enkel in zijn hoofd verschillend was? Zijn zelfvertrouwen bestond hier. Heeft hij daar dan ooit bestaan?

Deze plotse vragen joegen hem opeens schrik aan. De drang om van deze vragen weg te vluchten overviel hem. Alles in de kamer van zijn hoofd begon te zinderen. De orde schokte en alles werd dooreen geschud. Hij nam de afstandsbediening en begon verwoed te zappen om daar houvast te vinden, maar het geluid bleef gedempt en vond geen ingang. De beelden voor hem waren een onbeheerst wazig scherm waar hij geen vat op kreeg. Wat hij telkens had geblust, had hij nooit naar buiten gebracht en de smeulende resten hadden altijd verder gegloeid. Zijn vlucht in het hier had het pijnigende daar verzacht, maar de grens tussen de twee werelden had hij zelf opgetrokken en hij had zichzelf wijsgemaakt dat niets naar binnen kon en niets naar buiten. Door het verstrijken van de tijd was zijn waan echter waarheid geworden.

Een verzengende storm raasde nu krachtig en liet alles ontbranden. Zijn hoofd vulde zich met een verstikkende waas en hij zat vast in een val die voorheen altijd zijn redding was geweest. Hij wist dat hij verteerd zou worden door het vlammende inzicht dat komen zou.

 

De televisie toonde dezelfde lachende mensen van gisteren, onderuitgezakt in een zetel.


Davy Verbeke, 2012