"Een trillende luchtlaag trekt langzaam al het zwart uit het wegdek.

[kortverhaal]

Een ogenblik geduld

 

 

            In de lege hoofdstraat van het dorp brandt de zenitzon in al haar hevigheid. Een trillende luchtlaag trekt langzaam al het zwart uit het wegdek. De dorpelingen hebben zich teruggetrokken in het koele comfort van hun kleine huizen – alle rolluiken in de straat zijn naar beneden gelaten. In deze lome middaghitte staat Theo voor de deur van de huisarts. Het topje van zijn wijsvinger wordt wit wanneer hij op de harde bel duwt.

 

            Uit de kleine speaker boven de bel komt meteen het ademende geluid van de dokter, een adem omgeven door gekraak, waarop Theo het zwarte oog van de camera aanspreekt:

 

"Goeiedag, dokter? Ik heb helaas geen afspraak kunnen maken, maar ik vroeg me af of u tijd voor me hebt? Het is nogal dringend."

 

            Een antwoord van de dokter of van de buzzer van het deurslot blijft uit. Plots wordt Theo opgeschrikt door een geluid achter hem. Aan de overkant van de straat staat een hoogbejaarde, kale, zwaar gebochelde man op het voetpad. Hij draagt een zwarte zonnebril en gaapt Theo aan, onbeweeglijk, met zijn tandeloze mond open als een klein zwart gat dat op aarde zweeft. Naast de man ligt een wandelstok die op de grond gevallen moet zijn. In plaats van die op te rapen blijft de oude man naar Theo staren. Wegkijken lukt Theo niet. Dit moment lijkt even een eeuwigheid in beslag te nemen totdat het onderbroken wordt door de dokter.

 

"Zeker, ik kan u zeker zien. U zult wel nog een ogenblik geduld moeten uitoefenen en in de wachtkamer plaatsnemen," krast de stem terwijl het deurslot openklikt.

 

            Theo duwt voorzichtig de deur open, stapt naar binnen, kijkt nog even om naar de gebochelde man die nog altijd staat te staren – nu gehuld in de rode gloed van de ondergaande zon – en gooit dan zachtjes de deur achter zich in het slot. Een doffe echo sterft uit in de lege gang.

 

            Aan de rechterkant van de consultatiekamer bevindt zich de wachtkamer, waarvan de deur open staat. In de ovale ruimte zit niemand. Theo laat zich met een diepe zucht vallen op de stoel net naast de ingang en veegt zijn bezwete voorhoofd af met een zakdoek. De deur zwaait hij dicht. Hij kijkt uit op een raam dat uitgeeft op de straat, het enige raam van de wachtkamer. De duisternis die buiten het licht aanvreet wordt binnen geweerd door vier knipperende spotlampen. Hun lichtsreutel werpt af en toe schaduwen in de kamer.

 

            Plots krijgt Theo een hevige krampopstoot die hem doet ineenkrimpen en naar zijn buik grijpen. Al twee weken is hij behept met een vreemde ziekte, maar hij besliste nu pas om een dokter op te zoeken, hopend dat die de onzichtbare vijand in de loopgraven van zijn lichaam zal kunnen benoemen. Iedere dag teistert een andere pijn hem. Een kloppende migraine, een zere rug, een oog dat geen straal licht meer kan verdragen, een overslaand hart, een foltering van de tanden, een op ontploffen staande tong, een brandend oorkanaal of een jeuk die hem bijna zijn eigen huid doet villen - al dit en meer torste Theo de voorbije veertien dagen, maar dus nooit dezelfde last. De anamnese toelichten aan de dokter belooft een heuse opdracht te worden voor Theo. 

            Telkens perforeert het onheil een ander deel van zijn lichaam, vloeit het in aan kracht toenemende golven in hem, doet het hem kronkelen tot in het voorgeborchte van de wanhoop, om na enkele uren weer op te houden, in afwachting van de volgende dag die zijn lijden zal verleggen. Telkens opnieuw worden zijn kleren gedrenkt in zweet en tranen – en vervloekt hij het hele universum en al wat daar voorbij ligt. Zijn ziekte lijkt een diep verborgen gevaar dat zich iedere keer in een andere gedaante vertoont, zoals een vreemdeling op straat die je vanuit de mensenmassa kan aanvallen, maar die je pas kan herkennen wanneer hij je effectief aanvliegt.

           

            Theo's buikkrampen wijken even. Pas nu bemerkt hij de boeken op de ronde, zwarte tafel in het midden van de wachtkamer. Op deze ligt een twintigtal boeken, chaotisch gezaaid, allen met een effen zwarte kaft. Geen magazines, geen brochures, geen prentenboeken, geen reclame, maar echte romans. Hij neemt er een vast, begint op de eerste pagina, leest verder en leest het volledig uit; hij neemt een tweede boek, beëindigt het; opent een derde, leest ook dit boek tot het einde uit; tot hij ze alle twintig uit heeft.

            Het laatste boek laat Theo geopend vallen op de grond, hij staat op, kijkt uit het raam en merkt dat het buiten diep nacht is geworden. De rolluiken van alle huizen zijn opnieuw open gedaan, maar nergens brandt er enig licht in de kamers. Ineens klinkt het schelle geluid van de bel door heel het huis. Nog terwijl alles nazindert, hoort Theo de voordeur open en weer toe gaan. Voeten schuifelen slepend door de gang. Een scherp getik van een wandelstok weerklinkt. Ook de deur van de consultatiekamer wordt geopend en gaat direct weer in het slot.

 

           
           Onverwacht gooit een nieuwe pijnstoot Theo op handen en voeten op de grond. Hij laat zich op zijn rechterzij vallen, zijn rug naar beneden glijdend tegen de deur van de wachtkamer, terwijl hij zijn maagstreek nu het liefst van al doormidden zou knijpen. Met zijn linkerhand grijpt hij de klink boven hem vast, murwt zich tussen het deurgat en kruipt over de gangvloer naar de voordeur. Het stof van de plakkerige vloer vergaart zich aan zijn broekspijpen. De klink naar beneden halen blijkt nutteloos te zijn omdat de deur op slot is. IJlend nu, sleept hij zich terug naar de consultatiekamer, maar ook die is gesloten. Theo bonst met verkrampte vuist op de onderkant van de deur, maar enkel het schatergelach van wat twee mannen lijken te zijn bereikt hem vanuit de kamer, het waait hem toe vanonder de deur, en verkilt de hele gang.

 

            Volledig verkrampt trekt Theo zich nu op aan de klink tot hij op zijn knieën voor de deur zit. Hij brengt zijn hoofd naar het sleutelgat toe en kijkt met één oog de kamer binnen, terwijl de pijn zijn tanden op elkaar klemt. Eerst kan hij enkel een grijze muur onderscheiden. Dan verschijnt voor die muur, als in een koortsdroom, de witte rug van een doktersjas. Het hoofd is niet te zien omdat de persoon voorovergebogen staat. Een nieuwe pijnscheut werpt Theo een laatste maal op de grond, de gang trilt, de stoelen in de wachtkamer vallen hoorbaar omver, waarna alle steken plotseling uit zijn buik wegebben, alsof de koude vloer ze opneemt ter bewaring.

           Theo staat op, en bukt zich voorover om opnieuw door het sleutelgat te turen. Hij verstijft. Een expressieloos oog, alsof van glas gemaakt, met een helzwarte pupil, staart hem van dichtbij aan. Zijn blik kan hij niet afwenden, zo veel kracht lijkt er van dit oog uit te gaan. 
           De pupil versmalt en verwijdt, ritmisch, met Theo's borstkas mee. Alsof het hem de kamer in wil trekken, zo loert het troebele oog hem aan. Het is een oog dat hij nog nooit eerder zag, een oog dat opzuigt, een oog dat verlamt, een oog dat alles overbodig maakt, een beetje zoals mijn ogen jullie nu gadeslaan.


 

Davy Verbeke, 2014